$wpsc_last_post_update = 1507730879; //Added by WP-Cache Manager $wpsc_last_post_update = 1507730879; //Added by WP-Cache Manager Jan Mul

Eerste integrale uitgave van de Propiumgezangen voor het kerkelijk jaar van Jan Mul

JanMulpropriumgezangen2018

De Jan Mul stichting heeft 18 oktober 2018 een nieuwe uitgave uitgebracht van de complete Propriumgezangen gecomponeerd door Jan Mul vanaf 1939 tot 1970. Deze uitgave is tot stand gekomen op initiatief en onder redactie van Lourens Stuifbergen die een uitgebreid voorwoord over dit levenswerk heeft geschreven. Het graveerwerk is verricht door Kees Weggelaar. De uitgave is te koop voor € 25 inclusief verzendkosten. Bestellingen kunt u per mail opgeven aan liesbethmul@gmail.com o.v.v. Propriumgezangen

Lourens Stuifbergen heeft het volgende over het ontstaan van de propriumgezangen geschreven:

Muls vroegst bekende zelfstandige propriumgezangen dateren van midden jaren dertig van de vorige eeuw, de waarschijnlijk eerste complete set van drie gezangen (introitus, offertorium en communio) schreef hij in april 1939 voor de huwelijksmis. Deze zettingen, die hij bij elke huwelijksdienst kon gebruiken, hebben hem op het idee gebracht af en toe sets te schrijven voor de zondagof voor een belangrijke feestdag. En al doende ontstond spoedig het stoutmoedige plan zettingen te componeren voor het volledige kerkelijk jaar. Omdat hij het graduale-alleluia als regel liet reciteren beperkte hij zich tot de overige drie gezangen die voor het overgrote deel eenstemmig zijn en werden voorzien van een inventieve, rijke orgelpartij. Het ging om echte gebruiksmuziek voor zijn eigen kerkmuzikale praktijk aan de kerk Maria Onbevlekt Ontvangen in Overveen,waar hij organist-dirigent was en de beschikking had over een koor van overwegend jonge mensen. Wat hij de ene week gecomponeerd had kon gewoonlijk de week erna door het goed geschoolde koor in de liturgie tot klinken worden gebracht. Wouter Paap, in de tweede helft van de vorige eeuw Nederlands bekendste muziekpublicist, schreef in februari 1972 in het Gregoriusblad: “In menig geval vormde de gregoriaanse melodie de bron, de stimulans voor de eigen melodievorming. Het vangen van de korte, zinrijke bljbelse gedachten in een bewogen melodische lijn, vaak eenstemmig – soms twee- of driestemmig, en vrijwel steeds door de orgelpartij polymelodisch uitgewerkt – was iedere keer weer een avontuur van de scheppende geest. Deze wisselende gezangen vormen de essentie van Muls muzikaal gedachten leven: de bondigheid van het ‘aforisme’ trok hem sterk aan, en zo zijn deze propriumgezangen even zovele kerkmuzikale miniaturen geworden, die in onze kerkmuziek een heel eigen plaats innemen.”
Het heeft jaren geduurd voordat Jan Mul zijn plan propriumgezangen voor het gehele kerkelijk jaar te componeren daadwerkelijk kon voltooien. Gedurende de oorlogsjaren was het door de bezetting nauwelijks meer mogelijk koorrepetities te houden. Na de oorlog werd Mul door talloze andere werkzaamheden en compositieopdrachten in beslag genomen, zodat hij vaak niet de gelegenheid en de rust had voor de aanstaande zondag weer drie gezangen gereed te hebben. Tussen 1945 en 1965 is het aantal toevoegingen gering: enkele zondagen eindjaren veertig en nog geen tien zondagen in de jaren vijftig. En toen Jan Mul zich in 1960 uit de kerkmuziekpraktijk had teruggetrokken zag het ernaar uit dat het project niet meer voltooid zou worden. Niet alleen was er geen stimulans meer vanuit de wekelijkse praktijk, ook de geleidelijke invoering van de volkstaal en alle veranderingen in de liturgie na het Tweede Vaticaans Concilie waren niet bevorderlijk voor zijn plan. Toch besloot Mul halverwege de jaren zestig weer aan zijn cyclus verder te werken. Tussen 1966 en 1970 ontstonden nog sets voor zo’n kleine 25 zondagen vooral in januari en februari 1970 schreef hij er met niet aflatende ijver soms meerdere per dag. En zo voltooide Mul zijn levenswerk na dertig jaar. Toen hij in 1939 begon was het Latijn nog hoog en breed de liturgische taal. Eind jaren zestig werd de volkstaal toegestaan in de liturgie, en hoewel het Latijn nog steeds de officiële taal van de kerk was (en is) kwam het er in de praktijk op neer dat het Latijn en het gregoriaans sterk werden teruggedrongen. ln de nieuwe ordening van drie liturgische jaren (zie onder), die in dezelfde tijd van kracht werd, is echter het grootste deel van de propriumteksten gehandhaafd. Vaak staan introitus, offertorium en communio nog voor een en dezelfde zondag bij elkaar, soms zijn deze teksten verspreid over twee of drie zondagen. Muls zettingen kunnen nog steeds uitstekend gebruikt worden, ook als zelfstandige motetten tijdens een liturgische viering. Alle manuscripten van de propriumgezangen bevinden zich in het Nederlands Muziek Instituut te Den Haag dat het archief van Jan Mul beheert.

De Jan Mul Stichting is Lourens Stuifbergen en Kees Weggelaar erg dankbaar voor hun inspanningen in het gereedmaken van deze uitgave.

Het voorbeeld hieronder toont de gezangen van nr. 17. ‘Dominica IV in Quadragesima’, die in de huidige liturgie op de ‘Vierde zondag van de Veertigdagentijd’ staan.

Recensie Emanuel Overbeeke

© Emanuel Overbeeke, juni 2018

Ian Borthwick e.a.: Jan Mul, een kwarteeuw muziekrecensies 1945-1970

Erven Mul & De Toorts, Haarlem 2018

ISBN 978-906020-8588
126 blz. – verkoopprijs € 20,–

Dit boek verscheen vorig jaar en heeft voor zover ik weet vrijwel geen aandacht gekregen van de media. Dit overkomt helaas steeds meer muziekboeken. Dat heeft drie vervelende gevolgen: het is niet leuk voor de auteurs, uitgevers worden alsmaar voorzichtiger bij het uitbrengen van boeken over muziek en het gevaar bestaat dat clichés hardnekkig blijven voortleven omdat een meer genuanceerde kijk minder kans krijgt om lezers te bereiken. Ook over het Nederlandse muziekleven zijn allerlei verkeerde ideeën hardnekkig, vooral die inzake de relatie tussen kritiek, compositiestijlen en programmabeleid en de wisseling der generaties. Dit boek is gedeeltelijk een ondermijning van die verkeerde ideeën; sommige worden aangevochten (vooral door de gekozen geschriften van Jan Mul), andere juist bevestigd (vooral in enkele toelichtingen daarop van de bezorger, de musicoloog Ian Borthwick).

Jan Mul (1911-1971), componist, organist, koorleider, recensent, docent en bestuurder) was geen figuur voor de barricaden, maar wel iemand met duidelijke opvattingen waarvan hij geen geheim maakte. Omdat zijn muziek nu grotendeels vergeten is, vergeet men wel eens dat hij in het eerste kwart eeuw na de oorlog, zeker in het katholieke volksdeel, een grote rol speelde. Zijn overlijden valt vrijwel samen met het einde van de verzuiling, de culminatie van de Notenkrakersacte, het begin van een nieuw muziekleven voor nieuwe muziek en het einde van een stijl die in het kwart eeuw na 1945 het goed deed en sinds 1970 doorgaat voor passé.

Zo bezien is hij nu een gedateerde figuur en het boek leest als een blik in andere tijden. Mul was een ouderwetse criticus die zijn lezers wilde informeren, die het oordeel niet schuwde, daarbij geen rekening hield met wat anderen correct en incorrect vonden en die humor inzette als een belangrijk wapen. Hij was geen vriend van de naoorlogse avant-garde, maar stelde zich er wel voor open. Voor iemand van zijn generatie en zijn wijze van componeren was hij uitstekend op de hoogte van Boulez, Stockhausen, Henze en Nono. Hij sprak met drie woorden en wist hoe hij iemand met één zin moest vermoorden. ‘Zonder zelf een partituur voor zich te hebben, maakte [de componist] opmerkingen waaruit bleek dat men er goed aan doet zijn kundigheid niet in twijfel te trekken. Niets ontging hem. Toch maakt het klinkend resultaat de indruk, dat geen mens ook maar iets in de gaten zou hebben wanneer het werk van achter naar voren gespeeld zou worden.’ Juist een man die zo goed kan formuleren, beseft de machteloosheid van het woord. ‘Voor bijzonder grote pianisten bezigt men een kleine collectie superlatieven. Bij Lipatti legden indertijd zelfs doorgewinterde concertbeschrijvers de pen neer.’ Zijn inzicht in composities is groot en soms verfrissend. Nadat Leonard Bernstein bij het Residentie Orkest op één programma Gershwins Rhapsody in blue en Bachs Brandenburgse concert nr. 5 heeft gebracht als dirigent en solist, volgt deze observatie: ‘Het rhythme is bij Gershwin eveneens veel minder gecompliceerd, veel minder verscheiden dan bij Bach.’ Deze opmerking stond in 1947 niet in een muziektijdschrift, maar in een krant! Zijn gevoel voor kwaliteit telt voor hem bijna altijd zwaarder dan zijn waardering van stijl. Boulez als dirigent heeft hij zeer hoog, Prokofjev kan briljant instrumenteren, maar in revolutionaire tijden was hij ‘niet uit het lood te slaan’. Sjostakovitsj heet een ‘anti-revolutionair’, een uitdrukking die anno 1950 betekenissen had die nu geschiedenis zijn.

Evenzeer geschiedenis is zijn katholieke omgang met romantische muziek. Hij is geen liefhebber van de Duitse romantiek, het expressionisme incluis, waarin met veel innerlijk geworstel het leed van de mens centraal staat. Naar aanleiding van Bergs Lulu in 1953: ‘Met verbazing heeft een nagenoeg geheel gevulde zaal gezien en geluisterd naar een drama dat in de dertiger jaren ontzettend modern was (er wordt zelfs een stukje film in vertoond!) en nu volkomen ouderwets aandoet. [Het moet na deze voorstelling duidelijk zijn] dat we de laatste jaren in groter getale dan voorheen, afscheid namen van de benauwenis van een uitzichtloze wereld. De handeling in deze opera is verleden tijd. Laat ons hopen dat dit diepzinnig genoegen in nachtmerries definitief voorbij is.’ Zijn afkeer van expressionisme is een terugkerend thema. Poulenc daarentegen bewonderde hij enorm – sommigen vergeleken Mul zelfs met de Fransman. ‘Na een eeuw muziek met zielsconflicten is [muziek van Poulenc waarin ‘de componist de zon in het water ziet schijnen’] uitzonderlijk.’ Ook muziek van Escher is hem veel te ernstig.

Muls afkeer van veel Duitse muziek, vooral Brahms, Wagner en Strauss [en daar hoorde hem qua stijl ook Sjostakovitsj bij], kwam dan ook niet alleen voort uit de recente Tweede Wereldoorlog, al is hij ‘bovenhuids’ soms zeer diplomatiek over sommige dingen van Wagner. De muziek is zwaar op de hand en wil demonstratief diepzinnig en emotioneel zijn. Ze is te schools en te nadrukkelijk, reden voor Mul om Messiaen eerder te zien als Duitser dan als Fransman. ‘Hij schijnt de antipode van de z.g. lichtzinnige Franse geest.’ Mul vergelijkt hem vanwege zijn demonstratieve systeemdrang zelfs met Verhulst, in zijn tijd de Saint-Saëns van het Nederlandse muziekleven. Bij het Tweede pianoconcert van Brahms kan zelfs de geweldig spelende Arthur Rubinstein hem niet op andere gedachten brengen. (Om dezelfde reden beschouwde Helene Nolthenius eind jaren veertig de Duitse romantiek als verleden tijd. Strategier dacht er net zo over.) Mul schreef in 1951 over Mahler: ‘Nauwelijks hoor ik iets meer dan gedramatiseerde volksliedfragmenten, melodiewendingen en harmonieën van Wagner, Beethoven, Bruckner, Brahms, Berlioz … ietwat anders en opmerkelijk geïnstrumenteerd.’ De naoorlogse afkeer van romantiek, ingegeven door een gruwelijk ontspoord nationalisme, leefde kortom niet alleen onder de avant-garde, maar ook onder hen die van de avant-garde weinig tot niets moesten hebben! Veel leden van de avant-garde, Nederlanders niet uitgezonderd, Boulez wel uitgezonderd, waren Mul veel te Duits! Positief was hij wel over Bach, Mozart en Beethoven: wel Duitsers maar geen romantici!

Mul schreef voor een publiek dat zich wilde laten informeren, niet bang was voor krasse uitspraken, enigszins op de hoogte was en de tijd had en nam om redelijk uitvoerige stukken te lezen. Hij was geen man met ambitieuze vergezichten, maar hij keek wel ver en zag de diepere motieven achter muzikale conventies. Hij maakte korte metten met het hardnekkige Hollandse idee (het is nog nu virulenter dan in zijn tijd) dat muziek ogenschijnlijk ergens over moet gaan en dat die boodschap te verbaliseren is, dat de expressie goed zichtbaar moet zijn en dat muziek slechts één ding tegelijk kan zijn. Daarmee bevestigt hij het oude gegeven dat katholieken veel beter kunnen omgaan met ambivalentie dan protestanten (niet alleen in muziek), dat het Nederlandse muziekleven ook ondanks twee wereldoorlogen qua mentaliteit nog zeer Duits was (en is!) en laat hij op schitterende wijze zien dat humor en ernst uitstekend samengaan. Ook al bewaarde hij zijn mooiste pijlen voor repertoire dat mij zeer dierbaar is (het stuk ‘van achteren naar voren’ is Boulez’ Le Marteau sans maître), zijn houding is mij zeer dierbaar. Overtuigen met humor is een noodzakelijke en zeer prettige eigenschap. Daarom is dit boek niet alleen fijn voor de erven die nu een monument voor hun familielid hebben; de nawoorden en getuigenverklaringen zijn zowel aandoenlijk als informatief en geven een mooi sfeerbeeld van de persoon, meer dan van zijn opvattingen; het is ook een welkome nuance bij enkele heersende ideeën over het muziekleven, niet toevallig afkomstig van iemand die niet helemaal in ‘de hoofdstroom’ zat. Afgaande op wat ik van zijn muziek ken (niet zoveel, moet ik helaas bekennen), kan ik de vergetelheid ervan enigszins begrijpen. Zijn geschriften verdienen beter.

www.opusklassiek.nl/boeken/borthwick_mul.htm

Paul Witteman ontvangt eerste exemplaar van het boek: Jan Mul een kwarteeuw muziekrecensies en een prachtige uitvoering van Muls Sonate voor piano

Tijdens de boekpresentatie, Jan Mul – Een kwarteeuw muziekrecensies 1945-1970 in de Evangelische Lutherse Kerk, Haarlem 22 september jl. heeft Paul Witteman de eerste exemplaar ontvangen uit handen van Ian Borthwick de auteur. Het is een mooi boek geworden ook dankzij de inspanningen van Liesbeth Mul en Renée de Borst die de redactie op zich heeft genomen.

De Jan Mul Stichting is erg blij dat de boekpresentatie in het kader van het Andriessen/de Klerk Festival in de Evangelische Lutherse Kerk, Haarlem 22 september jl. kon plaatsvinden.  De Andriessen/de Klerk Stichting maakte het ook mogelijk de zelden uitgevoerd Sonate voor piano van Jan Mul te programmeren in dit concert. Pianist Brook Cuden gaf een prachtige uitvoering van Muls Sonate voor piano geheel in de geest van de componist.

Jan Mul droeg de Sonate aan zijn vrouw Barbara op en voltooide het werk in Soestduinen in januari 1940. Sonja Gaskell ontwierp bij deze Sonate een choreografie voor Ballet Recital. Het werd voor het eerst opgevoerd in 1952 door de dansers Jaap Flier en Marianne Hilarides. Toen het Nederlands Ballet voorstellingen ging geven met orkest heeft Jan Mul het werk in 1957 georkestreerd. Onder de titel Sinfonietta is het Muls bekendste compositie voor orkest geworden.

Als u de uitvoering van Muls Sonate voor piano in Haarlem heeft gemist is er nog een gelegenheid om de Sonate te horen in Amsterdam in de Vincentiuskerk, Jacob van Lennepkade 211 op vrijdagavond 20 oktober 2017 om 20:00 uur wederom gespeeld door Brook Cuden.

Nieuw boek over Jan Mul. Presentatie 22 September 2017 in Lutherse Kerk Haarlem

Jan Mul, Een kwart eeuw muziekrecensies 1945 -1970

Uitgave van de Erven Jan Mul

Een mooi inzicht in de naoorlogse muziekpraktijk in Nederland

Een bloemlezing uit bijna drieduizend muziekrecensies – van commentaar voorzien door musicoloog Ian Borthwick. Aangevuld met talloze bijdragen van andere schrijvers die een beeld schetsen van componist/organist en muziekrecensent Jan Mul (1911-1971).

Dit boek biedt de liefhebber een mooi inzicht in de ontwikkelingen in de naoorlogse muziekpraktijk in Nederland – allemaal gehoord met de oren van een man die met veel kennis, inzicht, passie en humor kon schrijven en zijn mening niet onder stoelen of banken stak.

Uit het boek:

Het is voor Borthwick duidelijk: Mul was geen hokjesdenker en ging zeker niet met de goegemeente mee. Hij was dus ronduit eigenzinnig. Borthwick: ,,Als je Brahms, Strauss en Wagner niks vindt, zou je niet van Bruckner of Hugo Wolf kunnen houden. Mul hield van het lichtvoetige, dat was Bruckner niet. Hoe kan dat? Hoe kan je Poulenc en Milhaud geweldig vinden en Messiaen als te bombastisch in de hoek zetten? Wat wel heel duidelijk is dat Mul hield van het ambacht, het moest kloppen. Hij was een echte Haydn-man.’’

De Erven Mul en Ian Borthwick nodigen u van harte uit aanwezig te zijn bij de presentatie van het boek ‘Jan Mul, een kwart eeuw muziekrecensies 1945 – 1970’.

De presentatie heeft plaats op vrijdag 22 september 2017, in de Lutherse Kerk aan de Witte Herenstraat in Haarlem om 20.00 uur, voorafgaand aan een kamermuziekconcert in het kader van het Andriessen De Klerk Festival 2017.

Wilt u dit boek bestellen voor € 20 dan kan dat rechtstreeks via uitgeverij De Toorts  http://www.toorts.nl/index2.php?pageid=4&authorid=275.